Vissen. Zolang als wij op vakantie gaan, gaat de vishengel mee. Zien we een vijver of iets dat er op lijkt, dan komt de hengel tevoorschijn en hangen de jongens uren aan de kant van het water. Niet dat ze ooit wat vangen, nee, dat hebben we nog niet meegemaakt, maar het gaat om de grote verhalen achteraf. “We hadden er bijna een te vangen!”

Deze vakantie gaat het echter anders.

“Mam, ik neem de vishengel mee! Is dat goed?”, roept mijn jongste zoon.  We zitten in Zweden. Ons houten vakantiehuisje ligt midden in de natuur aan een geweldig prachtig meer, waarvan het einde in de verte doorloopt in een zee van groene dennen. Zweedser kan het niet. Vandaag gaan we de omgeving verkennen. Niet te voet of per auto, maar in een kano. “Ik hang de lijn uit als ik in de kajak zit.”, roept zoon, terwijl hij zich probeert te wurmen in het bootje. De rest van het gezin neemt voorzichtig plaats in een kano voor twee personen, die wiebelend heen en weer deinst. Ondertussen zie ik jongste zoon in zijn eentje het water op gaan. Vanaf de kant zie ik hem druk in de weer om de lijn goed te draaien op de molen en het blinkende aas in de vorm van een visje eraan hangen.

“Lukt het? Heb je al iets gevangen?”, vraag ik zoon even later als we met z’n allen op het water dobberen. Zoonlief is een stukje vooruit en uit onze buurt gepeddeld om te voorkomen dat wij in zijn vaarwater terecht komen en daardoor in het uitgelegde lijntje varen.

“Nee, nog niets gevangen.”, antwoordt hij. “Maar ik voelde net wel wat aan de lijn trekken. Volgens mij had ik bijna beet.” Ik zie de glans in zijn ogen en de hoop om een echte vis aan de haak te slaan.

Na een paar uur vergeefse pogingen, wisselt de hengel van eigenaar. Volledig gedesillusioneerd, laat zoon de vis in het water zwemmen en peddelt zelf fanatiek zijn frustraties weg. Zijn vader neemt de hengel over en werpt de lijn nonchalant het water in, plaatst het handvat in het bootje, meer om zijn handen vrij te maken voor het maken van een foto dan om te vissen.

“Heb je nog niets gevangen?”, vraagt oudste dochter even later, zonder haar ironische toon te kunnen onderdrukken.

Haar vader kijkt haar aan. Wat een belachelijke vraag! Toch haalt hij de lijn naar binnen.

En warempel, wat hangt daar aan het einde van de lijn?

Een vis. Wel 20 centimeter lang!

“Het kan dus echt!”, roept mijn dochter opgewonden vol verbazing uit, omdat ze na 10 jaar vissen eindelijk een beestje ziet hangen.

Ik kijk ernaar. Naar de vis. Naar de visser, die glundert van trots. Zijn ogen glanzen. Ik kijk naar mijn zoon, die teleurgesteld in zijn kajak zit en ongelofelijk baalt dat niet hij, maar juist zijn vader de buit binnenhaalt. Ik kijk nog eens naar de vis. Het beestje spartelt niet meer en zijn ogen staan dof.

“Is hij al dood?”, vraagt jongste dochter. “Nee,”, antwoordt vader, “baarzen geven het al snel op met spartelen als ze gevangen zijn. Ze zijn snel moe.” Daar is een kenner aan het woord. Dat betekent wel dat het dier al een poos in het water is meegesleurd. Ik krijg medelijden met de vis. Wat nu? Ik zie dat de vanger de vis van het gemene haakje probeert te ontdoen. Maar het lukt niet best. Er zitten maar liefst drie haakjes aan het aas. Ik vind het zielig en opeens zie ik alle moten zalm en forellen, die ik zo lekker vind, op mijn bord spartelen en  schreeuwen.

“Het is zielig.”, zeg ik tegen iedereen die het wil horen. Ook dochter deelt mijn mening.

“Gooi hem maar weer in het water.”, bevelen we, al weet ik goed dat dit altijd al de bedoeling was. Maar eerst moet de vis op de foto. Hij heeft de eer om als eerste en enige vis in al die jaren gevangen te zijn geweest. De visser is trots, de zoon beduusd, de meisjes verbouwereerd. Ik hoef nooit meer vis, denk ik op dat moment, en ik word zelfs lid van de Partij van de Dieren. Alhoewel …. Vis is toch wel erg lekker.