Al jaren kom ik zo nu en dan bij de kaasboer in een dorp niet ver hiervandaan. Op vrijdags staat hij met zijn grote kar op de parkeerplaats. “Goedendag, wat kan ik voor je doen?”, begroet hij mij. Het is bloedheet vandaag en de kazen zijn aan het smelten. Ik bestel drie kilo belegen kaas. Terwijl hij druk is met het snijden en vacuüm verpakken, kijk ik naar een foto die op zijn kar hangt.

“Hè”, vraag ik, “heb je je kinderen ingeruild voor poesjes?” Er hangt een A4-tje met zeven schattige poesjes erop. Tot nu toe stond er altijd een foto van zijn kinderen. Ooit, jaren geleden, hing er opeens een foto van een baby’tje. Dat was zijn eerste kindje. In de loop der tijd verving hij de foto op het moment dat er een kindje bij kwam. Elke keer weer. Als ik er dan weer eens heen ging, wist ik dat de foto verwisseld was. Maar deze keer dus niet. Nu hangen er poesjes.

“Nee, maar de foto met de kinderen is zo snel verouderd. Ze groeien snel. Ik moet weer een nieuwe maken.”, reageert hij ietwat laconiek.

Ik staar nog eens naar het plaatje dat hij heeft opgehangen. Zeven om op te vreten keilieve poesjes met grote ogen kijken je aan. Om van te smelten! Zo schattig en leuk! Onder de poezenfoto’s staat met grote letters geschreven: Niet om op te eten!!!! Met een paar vette uitroeptekens.

“Hoezo dat? ‘Niet om op te eten’, waarom staat er dat?”, vraag ik de kaasboer, in de veronderstelling dat het hier om een grap gaat. Ik zie het al voor me: gegrilde poesjes op de barbecue, naast de vis, de kippenpoot, het varkenshaasje en de runderbiefstuk. Poes past goed in het rijtje van huisdieren. De kaasboer kijkt me aan en heeft een grijns op zijn gezicht van oor tot oor, die ik niet kan plaatsen. Schuilt er een klein vampiertje in hem? Zit er poes in mijn kaas?

“Nou”, begint hij zijn verhaal. “ik kreeg een klant op bezoek met dit A-viertje. De mevrouw had een nestje met poesjes gevonden en ze vond het zielig om die zo achter te laten. Ze nam ze mee naar huis en verzorgde ze een aantal weken.” Een echte Partij voor de Dieren stemmer, hoor ik wel. Goed dat dit soort mensen er zijn. Ik bewonder ze.

“Maar ja, wat doe je met zeven kleine poesjes?”, vraagt de kaasboer mij met zijn sterke accent dat ik maar niet kan thuisbrengen. Die kleine springen natuurlijk in de gordijnen, zitten overal op, spelen de hele tijd, de kattenbak die continu verschoond moet worden.  “Die mevrouw had de poesjes op internet gezet, op marktplaats. En er reageerde iemand.”, vervolgt de kaasboer zijn verhaal langzaam werkend naar een climax. “Ze wilde de poesjes wel. Niet één, maar alle zeven!” De kaasboer grijnst. Ik zie zijn tong al bijna heen en weer over zijn lippen gaan.

“Alle zeven!”, roep ik uit. “Wat wilde die koper ermee?”

“Nou”, zegt de kaasboer,”dat was het probleem. Die mevrouw kwam uit het dorp hiernaast.” Hè, denk ik daar woon ik ook. Ken ik iemand die zeven poesjes zou willen? Misschien  iemand die op een boerderij woont en de poezen wil inzetten voor de muizenvangst. Er schiet niemand mij te binnen.

“De verkoopster die verbaasd stond dat er iemand zoveel schattige diertjes wilde, vroeg waarom zij ze allemaal wilde.”, gaat het verhaal verder. “Toen antwoordde de koopster: ‘ik heb een slang thuis en dan kan ik die elke dag een poesje voeren!’”

“Wat!”, schreeuw ik hardop, “Poesjes aan de slang voeren?” Nou ben ik geen giga dierenliefhebber, maar dit gaat me toch net iets te ver. Wie heeft er een slang in  mijn dorp? Wie is de dader? Wie kan ik erop aan spreken? Dat doe je toch niet, schattige poesjes voeren aan een enge slang!

“Dat vond de verkoopster ook. Ze had niet alle moeite gedaan om die poezen groot te brengen voor een slang!”, eindigt de kaasboer zijn verhaal. “Daarom hangen ze nu bij mij in de kraam. Wil je er een?”

Of ik er een wil? Ik zou het bijna doen ja. Maar nee, toch maar niet. Ik heb er een thuis en dat is voldoende. Wie er interesse heeft in een poesje, de advertentie hangt bij de kaasboer. Tenzij je natuurlijk een slang hebt!